1. Belgische wet - la loi belge

2. De geest van de Belgische wet

3. L'esprit de la loi belge

4. Recommendations J.P. de Man 2013

5. Beleidsaanbevelingen studiedag Antw 2015

6. Necessity of guidelines for parents

1. Belgische wet - loi belge

Artikel 374 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek  (gewijzigd door de wet van 18/06/2006) bepaalt dat wanneer één van beide ouders de gelijkmatig verdeelde huisvesting van de kinderen tussen de ouders vraagt, de rechter deze bij voorrang toestaat.

 

L'article 374 du Code Civil belge (article qui a été modifié par la loi du 18/06/2006) prévoit que si l’un des parents demande la résidence alternée égalitaire des enfants, le juge l’accorde prioritairement.

2. Geest van de wet : rekening houden met de leeftijd van het kind ! Argumentatie

De geest van de wet :  rekening houden met de leeftijd van het kind   (Laly N. 07/2014)

Artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek (België) (gewijzigd door de wet van 18/06/2006) (A) bepaalt dat wanneer één van beide ouders de gelijkmatig verdeelde huisvesting van de kinderen tussen de ouders vraagt, de rechter deze bij voorrang toestaat.

Lange tijd leefde de gedachte dat co-ouderschap gelijk stond aan de week-week regeling van huisvesting.  Baby’s die een week bij papa in de crèche zijn en de andere week bij mama in de crèche – peuters die een week lang geen contact hebben met hun papa of mama : dit leek mij echt niet in het belang van het kind zoals de wet het voorzag.  Tot onlangs werd dit nochtans toegestaan en werd dit als norm voorgehouden ingeval de ouders niet overeenkwamen en één van hen de “co-ouderschap” vroeg. Een van de rechten van het kind is “recht op zorg en liefde” een gezin hebben, omringd zijn, geliefd zijn.  In april 2014 verschenen er artikels in de kranten met vermelding dat de week/week verblijfscoouderschap niet in het belang is van de jonge kinderen.  Na enig zoekwerk, heb ik mijn gevoelens hiervoor menen staven met het argument “de geest van de wet”.

De wet van 18/6/2006 is tot stand gekomen op basis van het wetsontwerp 51K1673 ( 17/3/2005 wetsontwerp tot het bevoorrechten van een gelijkmatige huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind) (B).    

In dit wetsontwerp worden de bevindingen van J.P. de Man in overweging genomen.  Het wetsontwerp werd voorafgegaan door een Hoorzitting van de Subcommissie Familierecht, De Kamer op 16 februari 2005, waar J.P. de Man de resultaten van zijn studies hieromtrent voorlegt. (zie hieronder)  

Ik besluit dat de geest van de wet vraagt dat er rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind bij een verblijfsregeling en met de resultaten van de studies van de Heer J.P. de Man.  

De bevindingen van J.P. de Man promoten op basis van studies in het belang van het kind de gelijkmatige huisvesting van het kind bij de moeder en de vader; zijn bevindingen raden ook aan dat een kind niet meer dagen van een ouder mag gescheiden zijn dan het kind jaren oud is (dus 1 dag voor een kind van 1 jaar, 2 dagen voor een kind van 2, ezv).  Een gelijkmatig verdeelde huisvesting is in het belang van het kind indien het ook rekening houdt met de leeftijd van het kind.

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

(A)  Artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek (België)  (artikel dat gewijzigd werd door de wet van 18/6/2006) 

 Artikel 374. § 1. Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373, tweede lid, bepaalde vermoeden. Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders. Hij kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beide ouders kunnen worden genomen. Hij bepaalt de wijze waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt. Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen worden geweigerd. De ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Hij kan bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden. In elk geval bepaalt de rechter de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf. 

§ 2. Ingeval de ouders niet samenleven en zij de rechtbank vatten met betrekking tot de huisvestingsmodaliteiten van hun kinderen, wordt hun akkoord door de rechtbank gehomologeerd, tenzij de overeenstemming kennelijk strijdig is met het belang van het kind. Bij gebreke van overeenstemming tussen de ouders, in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag, en indien één van de ouders daarom verzoekt, onderzoekt de rechtbank bij voorrang de mogelijkheid van de gelijkmatig verdeelde huisvesting tussen de ouders, zulks op de meest passende wijze in het belang van het kind en van de ouders. Ingeval de rechtbank, gelet op de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting niet de meest passende wijze is, kan zij evenwel beslissen de beurtelingse huisvesting met tijdvakken van verschillende duur vast te leggen.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX 

(B)  Wetsontwerp 51K1673 (wetsontwerp tot het bevoorrechten van een gelijkmatige huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind - DOC 51 1673/001 – 17/03/2005)  In dit wetsontwerp worden de bevindingen van J.P. de Man in overweging genomen :   “In kringen van deskundigen is de beoordeling of de beurtelingse huisvesting gepast is, controversieel. Er moet worden vastgesteld dat heel wat psychologen voorstander zijn van deze wijze, terwijl anderen min of meer ertegen zijn (zie bijvoorbeeld ten gunste van deze oplossing: Gérard POUSSIN, «Les enfants de divorce», DUNOD, Parijs, 1997 in «Réussir la garde alternée» met Anne LAMY, Albin Michel, 2004; Gérard NEYRAND, «L’enfant face à la séparation des parents – Une solution, la résidence alternée», La découverte, Parijs, 2004; in tegenovergestelde zin, Marcel RUFO, «Élever bébé» en «Votre ado», HACHETTE 2003; met betrekking tot de voorkeur voor een wetgevende oplossing die de mogelijkheid biedt de onvoorspelbaarheid van de geschillen te beperken: zie Piet DE MAN, «L’intérêt de l’enfant en cas de séparation et de divorce» in Divorce – commentaires pratiques, KLUWER, éditions juridiques, december 2002).” 

 

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

(C) NAAR EEN (ECHT)SCHEIDINGSWETGEVING IN HET BELANG VAN HET KIND. Hoorzitting van de Subcommissie Familierecht, De Kamer, 16 februari 2005; Jan Piet H. de Man, tekst p27  ( http://www.bemiddelingvzw.be/docs/Jan-Piet%20De%20Man.pdf)

 

III. BESLUITEN.    

III.1. Welke verblijfsregeling is het minst nadelig?

III.2. Voordelen van de gelijkmatig verdeelde huisvesting.  

III.3. Voorwaarden voor de gelijkmatige huisvesting.

III.3.a) De leeftijd.

De gelijkmatige huisvesting -evenals elke andere verblijfsregeling- moet aangepast worden aan de leeftijd van het kind. Men moet inderdaad rekening houden met het feit dat hoe ouder men wordt, hoe vlugger de tijd voorbijgaat; of, anders gezegd, hoe jonger een kind is, des te langer duurt de tijd voor hem. Om een idee te krijgen van die subjectieve beleving van de tijd, kan men hem uitdrukken in een percentage van de leeftijd; zodoende zou één dag voor een éénjarig kind -in zijn subjectieve tijdsbeleving- even lang duren als een maand voor zijn 30-jarige ouders; en 12 dagen (tussen twee weekeinden in de traditionele omgangsregeling) even lang als een jaar! Dus: hoe jonger een kind is, des te minder is het in staat een scheiding van een zekere duur van zijn ouders te verdragen. De wereldspecialist van de hechting van kinderen van minder dan 3 jaar, Dr. Michael Lamb, en één van de wereldspecialisten van scheidingskinderen, Prof. Joan Kelly, hebben samen de wetenschappelijk het best gefundeerde antwoorden geschreven op de vraag "Welk is de aangepaste duur van een scheiding van de hechtingsfiguren?" in het eind-hoofdstuk –met die titel- van hun artikel "De onderzoeken over de ontwikkeling van de kinderen gebruiken om beslissingen te maken over de huisvesting en het omgangsrecht die aangepast zijn voor jonge kinderen" 57/. Inderdaad blijkt dat de behoefte van de kinderen, niet te lang gescheiden te worden van de personen aan wie ze gehecht zijn, evolueert met hun leeftijd. Spijtig genoeg geeft dat artikel slechts concrete aanduidingen (3 à 6 jaar: 3 à 4 dagen; rond 7 of 8 jaar: 5 à 7 dagen) voor leeftijden vanaf 3 jaar. Voor jongere leeftijden kan men zich (voorzichtig, omdat hij zich slechts lijkt te baseren op expertises in zeer bijzondere gevallen) wenden tot het boek van de franse psychoanalyticus Dr. Maurice Berger 58/.Voor baby's van 0 tot 1 jaar is hij van mening dat "het kind zijn vader 2 à 3 keer per week zou mogen zien gedurende telkens 3 à 4 uur, zonder overnachting"; "vanaf één jaar kan er één nacht aan toegevoegd worden, en vanaf 3 jaar een volledig weekeinde met 2 nachten" (p. 114). Men kan echter beter bij voorkeur rekening houden met Joan Kelly, vermits zij zich meer baseert op de resultaten van talrijk empirisch wetenschappelijk onderzoek in grotere en meer algemene steekproeven. Uitgaande van een geleidelijke evolutie van de vaardigheden van het kind, zou men dus, op basis van al die auteurs, de volgende "zeer precieze progressieve kalender" kunnen voorstellen die aangepast is aan de leeftijd van het kind: 0 tot 6 maand: 3 keer per week gedurende telkens 3 uur met de vader; 6 maand tot 1 jaar: 3 " " " " 4 u + 1 nacht " " " ; 1 tot 3 jaar: 3 " " " " 5 u maar 24 u tijdens het weekeinde met de vader; 3 jaar: niet meer dan 3 dagen met 1 ouder; 4 jaar: " " 4 " " " ; 5 en 6 jaar: " " 5 " " " , b.v. 5 / 5 / 2 /2 (vrijdag-maandag); 7 jaar: " 6 " " " ; 8 en 9 jaar: " 7 " (1 week) " , en 10 dagen tijdens de vakanties; 10 tot 13 jaar: " 7 " (1 week) " , en 2 weken tijdens de vakanties; 14 jaar en ouder: 2 weken " , als de jongere het wenst (overgangen op vrijdag). Bovenstaande kalender beantwoordt goed aan de vaststelling dat "de onderzoeken betreffende echtscheidingen aantonen dat" "een scheiding van 12 dagen van" "de ouder waarmee de kinderen tegenwoordig het kleinste aantal overnachtingen doorbrengen" "vaak veel te lang is voor vele kinderen (…). Bovendien geeft deze optie aan de ouder" waarmee het kind die 12 dagen doorbrengt "weinig ontlasting van zijn verantwoordelijkheden tegenover de kinderen." 59/ Hij stemt ook goed overeen met “heel wat wetenschappelijk onderzoek” dat “heeft aangetoond dat vele kinderen, in het bijzonder jongens, meer tijd met hun vader willen dan traditioneel onderhandeld of bevolen wordt; dat kinderen en jong-volwassenen het verlies van contact met een ouder als het belangrijkste negatieve aspect van de echtscheiding beschouwen; en dat kinderen altijd weer zeggen dat zij hun vader missen. 60/ Niettegenstaande zulke bevindingen is de rechtspraak slechts traag veranderd.” 61/ Om scheidingskinderen vlugger van aan hun leeftijd aangepaste verblijfsregelingen te laten genieten, zou men in het Burgerlijk Wetboek -in het wettelijk scheidingsstelsel bijvoorbeeld- een eenvoudigere wettekst dan bovenstaande kalender kunnen inschrijven: dat een kind niet meer dagen van één van zijn ouders mag gescheiden worden dan het jaren oud is (dus 1 dag voor een éénjarig kind, 2 dagen voor een 2-jarige, enz.).

III.3.b) Verstandhouding.

3 Talrijke "specialisten" (magistraten en andere juristen, experten en andere psychoanalytici, zelfs sommige (echt)scheidingsbemiddelaars, …) geloven dat een gelijkmatige huisvesting slechts mogelijk is wanneer de ouders daarover akkoord gaan, ja zelfs goed overeenkomen. Dit is inderdaad een voorwaarde opdat de kinderen goed zouden evolueren in zulk een gelijkmatige huisvesting. Dit is echter ook (zie de tweede zin van punt I.5 hierboven) de belangrijkste voorwaarde opdat de traditionele ongelijke hoofdverblijfregeling de kinderen niet zou schaden. De vaststellingen en conclusies van de hierboven geciteerde empirische wetenschappelijke onderzoeken tonen duidelijk genoeg aan dat zelfs wanneer de ouders het niet eens zijn over hun keuze van de verblijfsregeling voor hun kinderen, een wettelijke voorkeur voor de gelijkmatig verdeelde huisvesting, zelfs als zij opgelegd wordt door een rechter of door een wettelijk scheidingsstelsel, een goede evolutie van de kinderen beter bevordert. Een goede verstandhouding tussen de ouders is dus niet nodig; een neutrale relatie als collega's opvoeders, een wederzijds respect 62/ volstaat.

III.3.c) Onbeschikbaarheid.

Een ouder die zich (tijdelijk, bijvoorbeeld door de schok van de scheiding die hij moet ondergaan?) geen belangstelling heeft voor zijn kind of om andere redenen niet beschikbaar is, zal geen gelijkmatige huisvesting vragen (behalve misschien omdat hij gelooft dat hij bij een verblijfs-co-ouderschap geen onderhoudsbijdrage moe betalen -hetgeen niet waar is, zoals hieronder uitgelegd-). Een onderzoek van dat gebrek aan belangstelling of van zijn onbeschikbaarheid door de rechter is dus overbodig. Bovendien zou het ouders (vaak om egoïstische redenen) aanzetten om te proberen zulk een (veronderstelde of zelfs valselijk beweerde) negatieve eigenschap van de andere ouder te bewijzen, met alle nadelige gevolgen vandien voor de verstandhouding tussen de ouders, en dus voor hun kinderen, alsook voor de reeds overbelaste rechters en deskundigen.

III.3.d) Onwaardigheid. Hetzelfde geldt voor een (door de beschuldigende ouder voorgewende?) onwaardigheid of gewelddadig gedrag. Behalve wanneer dat gedrag het belang van het kind in gevaar brengt; in dat geval kan de magistraat de jeugdrechter verwittigen, of en ander organisme dat bevoegd is inzake jeugdbescherming of jeugdzorg (of eerste een evaluatiezitting van de verblijfsregeling voorzien na 6 à 12 maanden teneinde na te trekken of die beschuldigingen reëel waren ofwel of zijn vrees al dan niet bewaarheid werd).

III.3.e) Verhuizen. Een vaak gehoord argument tegen een gelijkmatige huisvesting is, dat de kinderen te dikwijls moeten verhuizen. Hoe dikwijls "verhuizen" zij in de traditionele hoofdverblijfregeling met één weekeinde om de veertien dagen? Vier keer per maand. En in de meest voorkomende gelijkmatige verblijfsregeling: een week bij vader en een week bij moeder? Ook 4 maal per maand! Het enige verschil is, dat de kinderen een volledige week mogen blijven, in plaats van al te moeten vertrekken op het ogenblik dat zij zich aan de "verhuis" hebben aangepast na 36 uur -hetgeen de tijd die normaal voor een volwassene nodig is om zich aan te passen, bijvoorbeeld aan zijn vakantie-oord-.

III.3.f) De afstand. De afstand tussen de verblijfplaatsen van de ouders is zeer zeker een noodzakelijke praktische voorwaarde: de kinderen moeten vanuit beide verblijfplaatsen naar dezelfde school, sportclub of andere vrijetijdsactiviteit kunnen gaan -of gebracht worden-. Dit vermijdt ipso facto het nadeel van een éénzijdige hoofdverblijfplaats die zover van de "secundaire" verblijfplaats verwijderd is dat lange pendelritten nodig zijn en dat contacten met school- of vrijetijds-kameraden tijdens de weekeinden vanuit de omgangsouder bemoeilijkt worden. Bovendien vermijdt dat, dat de kinderen hun weekeinden en vakanties meten doorbrengen bij een "pretpark-ouder" die hen niet hetzelfde comfort kan bieden in zijn "secundaire" verblijfplaats.

III.4. "Nestzorg". De door de "verhuizen" veroorzaakte stress die de kinderen ondergaan kan vermeden worden door hen altijd in hetzelfde "nest" van de gezinswoning te laten blijven wonen, waar beide ouders hen om beurten komen verzorgen. Dit is een verblijfsregeling die meer en meer bekend wordt in België 63/. Deze regeling heeft ook als voordeel dat het niet nodig is over twee verblijfplaatsen te beschikken die beide groot genoeg zijn voor de overnachting der kinderen; in geval van een tamelijk groot aantal kinderen komt dit minder duur, vooral wanneer beide ouders in staat zijn om beurten in dezelfde kleine studio te gaan verblijven waar zij niet eenzelfde comfort moeten verzekeren als in de gezinswoning, die het "nest" geworden is. Dit "nestmodel" kost ook minder voor ouders die bij een nieuwe partner of bij hun eigen ouders kunnen gaan logeren.

III.5. Is nieuwe wetgeving nodig?

III.6. Welke nieuwe wetgeving zou in het belang van de kinderen zijn?

57/ - Joan B. Kelly and Michael E. Lamb: Using child development research to make appropriate custody and access decisions for young children. Family and conciliation courts review, Vol. 38 No. 3, July 2000, 297-311: p. 308-309: “How much separation from primary attachment figures is appropriate?” - de Man, Jan Piet H.: Gebruik maken van onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen om geschikte beslissingen over verblijfs- en omgangsregelingen voor jonge kinderen te nemen. (gedeeltelijke vertaling van: Joan B. Kelly and Michael E. Lamb: Using child development research to make appropriate custody and access decisions for young children. Family and conciliation courts review, Vol. 38 No. 3, July 2000, 297-311.) Edegem (B): Europees Instituut voor het Belang van het Kind, 21.08.2005.

58/ Berger, Maurice & Gravillon, Isabelle: "Mes parents se séparent", Ed. Albin Michel, 2003.

59/ Joan B. Kelly, Ph.D.: Some Options for Child Custody Parenting Plans (for Children of School Age) www.ColoradoDivorceMediation.com 2003. (basé sur ce que les dernières recherches cliniques et concernant le développement nous apprennent).

60/ - Fabricius, W. V., & Hall, J. (2000). Young adults’ perspectives on divorce: Living arrangements. Family and Conciliation Courts Review, 38, 446–461; - Healy, J., Malley, J., & Stewart, A. (1990). Children and their fathers after parental separation. American Journal of Orthopsychiatry, 60, 531–543. - Hetherington, E. M. (1999). Should we stay together for the sake of the children? In E. M. Hetherington (Ed.), Coping with divorce, single parenting, and remarriage (pp. 93–116). Mahwah, NJ: Erlbaum. - Hetherington, E. M., Cox, M., & Cox, R. (1982). Effects of divorce on parents and children. In M. Lamb (Ed.), Nontraditional families (pp. 233–288). Hillsdale, NJ: Erlbaum. - Laumann-Billings, L., & Emery, R. E. (2000). Distress among young adults in divorced families. Journal of Family Psychology, 14, 671–687. - Wallerstein, J. S., & Kelly, J. B. (1980). Surviving the breakup: How children and parents cope with divorce. New York: Basic Books.

61/ Kelly , Joan B. and Robert E. Emery: Children’s Adjustment Following Divorce: Risk and Resilience Perspectives. Family Relations, 2003, 52, 352–362, p. 354.

62/ Cf; art 371 B.W.

63 / - de Hemptinne, M. (Civ. Bruxelles (réf)): … Hébergement alterné des enfants communs au domicile indivis avec interdiction pour le parent "non gardien" de pénétrer dans ledit immeuble durant la semaine d'hébergement des enfants par l'autre parent. 8 mai 2003. Divorce Actualité juridique, sociale et fiscale, 2004/10, décembre 2004, p. 154-156. - Tilly, Ines & Dorien, Dirk: Wie verhuist er? Niet Ines en Dorien, maar papa en mama. In: Janzing, Jolien: Niet langer een paar... wél nog samen mama en papa; co-ouders én kinderen vertellen. Libelle nr. 15/2988 - 3 april 2003, p. 46-47. - (Test-Aankoop): Gescheiden ouders. (De vrederechter van Bastogne wijst de echtelijke woning toe aan de kinderen, elk van beide ouders zal er om beurten 2 weken voor de kinderen komen zorgen. 03.05.1996. Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles, 1996.) Budget & Recht, nr. 132, april 1997, blz. 42.

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

3. L' esprit de la loi belge : tenir compte de l'âge de l'enfant : argumentation
L’esprit de la loi : tenir compte de l’âge de l’enfant  (Laly N. 07/2014)
 
L'article 374 du Code civil belge (article qui a été modifié par la loi du 18/06/2006) (A) prévoit que si l’un des parents demande la résidence alternée égalitaire des enfants, le juge l’accorde prioritairement.
 
La résidence alternée égalitaire a été longtemps réduite au régime d’une semaine chez maman, une semaine chez papa.
 
Des bébés qui doivent résider une semaine chez maman et vont à la crèche chez maman et la semaine d’après chez papa à la crèche chez papa – des jeunes enfants de 4 ans qui pendant la semaine chez maman/papa n’ont aucun contact avec papa/maman.
 
Cela paraît évident que ce n’est pas dans l’intérêt de l’enfant.   Il y a quelques années pourtant, c’était fréquent.   En avril 2014 des articles dans les journaux ont convenu que ce n’est pas dans l’intérêt du jeune enfant.
 
Voici peut-être un argument juridique :
 
La loi du 18.06.2006 a été développé sur base du projet de loi 51K1673 (17/03/2005 Projet de loi tendant à privilégier l'hébergement égalitaire de l'enfant dont les parents sont séparés et réglementant l'exécution forcée en matière d'hébergement d'enfant) (B).
 
Le projet de loi mentionne Mr J.P. de Man et est entre autre précédé par l’audience devant la SousCommission Droit de la Famille, à la Chambre, le 16 février 2005, où Mr J.P. de Man expose le résultat de ses recherches en la matière (C)
 
On pourrait donc dire que l’esprit de la loi évoque qu’il faut tenir compte de l’âge de l’enfant et du résultat des recherches de J.P. de Man qui préconise qu’un enfant ne devrait pas être séparé plus de jours d’un de ses parents qu’il n’a d’années d’âge (donc un enfant d’un an pas plus qu’une journée, un enfant de 2 ans pas plus que 2 jours, etc.).   Un hébergement alterné égalitaire est dans l’intérêt de l’enfant pour autant que le modèle d’hébergement est adapté à l’âge de l’enfant.
 
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
(A) Code Civil belge article 374 § 2 
 
Code Civil article 374 § 2 . Lorsque les parents ne vivent pas ensemble et qu’ils saisissent le tribunal quant aux modalités d’hébergement de leurs enfants, leur accord est homologué par le tribunal sauf s’il est manifestement contraire à l’intérêt de l’enfant. À défaut d’accord entre les parents, en cas d’autorité parentale conjointe, et si l’un des parents en fait la demande, le tribunal examine prioritairement la possibilité d’attribuer l’hébergement de manière égalitaire entre les parents, selon la formule la plus appropriée dans l’intérêt de l’enfant et des parents. Toutefois, compte-tenu des circonstances de la cause, s’il estime que l’hébergement égalitaire n’est pas la formule la plus appropriée, il peut décider de fixer l’hébergement de manière alternée, par périodes de durées différentes.
 
CFR1/  Audience de la sous-commission Droit de la Famille, 16 février 2005  Dans : CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE Belgique : proposition de loi modifiant l’article 374 du Code civil tendant à privilégier l’hébergement égalitaire de l’enfant dont les parents sont séparés et réglementant l’exécution forcée en matière d’hébergement d’enfant … Rapport fait  au nom de la sous-commission Droit de la Famille, par Mme Valérie Déom ; DOC 51 1673/014, 27 janvier 2006; p 203-230, 258-262. :
 
(B)   PROJET DE LOI tendant à privilégier l’hébergement égalitaire de l’enfant dont les parents sont séparés et réglementant l’exécution forcée en matière d’hébergement d’enfant ; CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE Belgique ; DOC 51 1673/001 17 mars 2005
« L’appréciation de l’opportunité de la garde alternée est controversée au sein du monde des experts. Il faut constater que de nombreux psychologues sont partisans de cette formule tandis que d’autres la combattent avec plus ou moins de vigueur (voy. par exemple en faveur de cette solution: Gérard POUSSIN, «Les enfants de divorce», DUNOD, Paris, 1997 et «Réussir la garde alternée» avec Anne LAMY, Albin Michel, 2004; Gérard NEYRAND, «L’enfant face à la séparation des parents – Une solution, la résidence alternée», La découverte, Paris, 2004; en sens contraire, Marcel RUFO, «Élever bébé» et «Votre ado», HACHETTE 2003; quant à la préférence donnée à une solution législative permettant de limiter l’imprévisibilité des litiges: lire Piet DE MAN, «L’intérêt de l’enfant en cas de séparation et de divorce» in Divorce – commentaires pratiques, KLUWER, éditions juridiques, décembre 2002). …. Il est proposé de ne pas indiquer de liste, même exemplative, des contre-indications, le juge restant libre (sans préjudice de l’obligation de motivation) de les déterminer. Ainsi, il pourra avoir égard aux circonstances suivantes: – l’éloignement géographique significatif des parents; – l’indisponibilité de l’un d’eux mais il devra s‘agir d’un déséquilibre sérieux, car ce critère ne peut être d’emblée préjudiciable au parent qui a une activité professionnelle: dans beaucoup de familles, même unies, les deux parents travaillent et doivent prendre les mesures qui s’imposent pour assurer l’accueil de l’enfant; – son éventuelle indignité (mais dans ce cas l’autorité ne sera sans doute pas conjointe); – son désintérêt manifeste pour l’enfant pendant la vie commune ou après la séparation: ici encore, la carence devra être sérieuse pour que le juge exclue l’hébergement égalitaire; – le jeune âge de l’enfant: la question est controversée, mais de nombreux praticiens semblent préconiser une certaine prudence pour les enfants en bas âge, et en tout cas les nourrissons; – le contenu de l’audition de l’enfant; – la faveur donnée au maintien de la fratrie. Le juge, on y insiste, doit entériner prioritairement l’accord des parents. Pour éviter une trop grande «judiciarisation» du règlement des séparations, il faut favoriser les accords pris hors du prétoire: comme c’est le cas aujourd’hui, le juge devra tenir compte des pratiques et accords antérieurs. Faut-il exclure l’hébergement égalitaire en cas de désaccord des parents? En principe, non, puisque la loi propose ce mécanisme en cas de litige, précisément. Cependant, le juge pourra s’écarter du modèle (en tous cas dans un premier temps puisque la cause peut être réévaluée plus tard) au titre de circonstance particulière, s’il constate que les parties sont à ce point en conflit qu’aucun dialogue entre elles n’est envisageable. Enfin, il est parfois objecté que l’adoption d’un modèle égalitaire pourrait favoriser les demandes dont le mobile caché serait pour le demandeur d’éviter de devoir payer une part contributive pour l’enfant. On relève tout d’abord que l’hébergement égalitaire n’exclut pas qu’une intervention financière soit fixée par le juge, notamment lorsqu’il existe une différence de revenus entre les parents. Ensuite, si le but recherché est d’éviter un tel payement, il semble évident que la demande sera rejetée. Le tribunal pourra ainsi prendre en considération les carences passées du débiteur récalcitrant. On peut en effet considérer que le refus d’intervenir financièrement en faveur de son enfant est un indice sérieux de désintérêt pour lui. Le juge conservera donc un important pouvoir d’appréciation. C’est la partie qui s’oppose à l’hébergement égalitaire qui devra démontrer l’existence d’une contre-indication. Le juge devra motiver sa décision lorsqu’il s ‘écartera du modèle légal. ….» 
 
XXXXXXXXXXXXXX
(C) 
Audience de la sous-commission Droit de la Famille, 16 février 2005 Dans : CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE Belgique : proposition de loi modifiant l’article 374 du Code civil tendant à privilégier l’hébergement égalitaire de l’enfant dont les parents sont séparés et réglementant l’exécution forcée en matière d’hébergement d’enfant … Rapport fait au nom de la sous-commission Droit de la Famille, par Mme Valérie Déom ; DOC 51 1673/014 27 janvier 2006; p 203-230, 258-262.
: « 3) Exposé de M. Jan Piet H. de Man, pédopsychologue et psychologue de la famille ….
L’hébergement «alterne» égalitaire?
• Définition. Comme la plupart des auteurs, il entend par «hébergement alterné égalitaire» (parfois je n’écrirai qu’ « alterné» …, un système de résidence qui implique que les enfants passent au moins un tiers de l’année scolaire chez chacun de leurs deux parents séparés. Dans la pratique actuelle, il s’agit le plus souvent d’une répartition à raison d’une semaine chez leur mère et une semaine chez leur père. Il faut clairement faire la différence entre l’hébergement alterné égalitaire et l’exercice conjoint de l’autorité parentale. Cette distinction n’est, en effet, pas faite assez souvent. L’autorité et l’hébergement sont en fait indépendants l’un de l’autre: la combinaison d’un hébergement inégal traditionnel avec une autorité conjointe est et restera la plus fréquente, et un hébergement égalitaire ne nécessite pas d’autorité conjointe mais peut très bien être combiné avec, par exemple, un partage de l’autorité …..
Conclusions
• Quel système d’hébergement est le moins défavorable?
• Conditions de l’hébergement égalitaire.
1/ L’âge. L’hébergement égalitaire doit -aussi bien que tout autre système d’hébergement- être adapté à l’âge de l’enfant. On doit, en effet, tenir compte du fait que plus on est âgé, plus le temps passe vite; ou, dit autrement: plus un enfant est jeune, plus le temps dure longtemps pour lui. Pour se faire une idée de ce vécu subjectif du temps, on peut l’exprimer comme pourcentage de l’âge; ainsi, pour un enfant d’un an une journée durerait – dans son vécu subjectif- aussi longtemps qu’un mois pour ses parents de 30 ans; et 12 jours (entre deux week-ends de droit de visite traditionnel) aussi longtemps qu’un an! Donc: plus un enfant est jeune, moins il est capable de supporter une séparation d’une certaine durée d’un de ses parents. Le spécialiste mondial de l’attachement des enfants de moins de 3 ans, Dr. Michael Lamb, et l’une des spécialistes mondiales des enfants de parents séparés, Prof. Joan Kelly, ont écrit ensemble les réponses les mieux fondées scientifiquement à la question «Quelle est la durée appropriée d'une séparation des figures d'attachement? » dans le chapitre final -avec ce titre- de leur article «Utiliser les recherches sur le développement des enfants pour faire des décisions concernant la garde et le droit de visite appropriées pour les jeunes enfants» 57/. Il s’avère, en effet, que les besoins des enfants de ne pas être trop longtemps séparés d’un de leurs deux parents évolue avec leur âge. Malheureusement, cet article ne donne des indications concrètes (3 à 6 ans: 3 à 4 jours; vers 7 ou 8 ans: 5 à 7 jours) que pour les âges à partir de 6 ans. Pour les âges plus jeunes, on peut se tourner (prudemment, puisqu’il ne semble se baser que sur des expertises dans des cas très particuliers) vers le livre du psychanalyste français Dr. Maurice Berger 58/ . Pour les bébés de 0 à 1 an, il est d’avis que «l’enfant pourrait voir son père 2 à 3 fois par semaine, chaque fois pour une durée de 3 ou 4 heures, sans passer la nuit chez lui»; «à partir d’un an, une nuit par semaine peut être ajoutée, et à partir de 3 ans, un week-end complet avec 2 nuits» (p. 114). Mieux vaut, de tenir compte de préférence d’une communication personnelle de Joan Kelly 59/, puisqu’elle se base plus sur les résultats objectifs de nombreuses recherches scientifiques empiriques dans des populations plus générales et plus grandes. En partant de l’évolution graduelle des capacités des enfants, on pourrait donc proposer, sur base de tous ces auteurs, le «calendrier progressif très précis» suivant de l’hébergement adapté à l’évolution de l’âge de l’enfant: de 0 à 6 mois: 3 fois par semaine pendant 3 h. avec le père/la mère; 6 mois à 1 an: 3 fois par semaine pendant 4 h. + 1 nuit avec le père/la mère; 1 à 3 ans: 3 fois par semaine pendant 5 h. mais 24 h. pendant le weekend avec le père/la mère; 3 ans: pas plus de 3 jours avec 1 parent; 4 ans: pas plus de 4 jours avec 1 parent; ; 5 et 6 ans: plus de 5 jours avec 1 parent; , par exemple 5 / 5 / 2 / 2 (vendredi – lundi); 7 ans: plus de 6 jours avec 1 parent; ; 8 et 9 ans: plus de 7 jours (1 semaine) avec 1 parent; , et 10 jours pendant les vacances; 10 à 13 ans: plus de 7 jours (1 semaine) avec 1 parent; , et 2 semaines pendant les vacances; 14 et plus: plus de 2 semaines avec 1 parent; , si le jeune le désire (transitions le vendredi). Le calendrier ci-dessus répondent bien à la constatation que «Les recherches concernant le divorce indiquent que» «12 jours de séparation du» «parent avec lequel les enfants passent actuellement le nombre plus petit de nuitées,» «c’est souvent trop long pour beaucoup d’enfants (…). De plus, cette option donne au parent» avec lequel les enfants passent ces 12 jours «peu de décharge de ses responsabilités envers les enfants.» 60/ Les périodes dans ce calendrier correspondent bien aussi avec les résultats d’un nombre «considérable recherches» qui «ont indiqué que beaucoup d’enfants, particulièrement des garçons, veulent plus de temps avec leur père que ce qu’est traditionnellement négocié ou ordonné; que les enfants et les jeunes adultes décrivent la perte de contact avec un de leurs parents comme l’aspect négatif primaire du divorce; et que les enfants rapportent souvent qu’ils regrettent de ne pas voir leur père 61/. Malgré ces constatations, la jurisprudence n’a changé que lentement.» 62/ Afin que les enfants puissent jouir plus rapidement de calendriers d’hébergement adaptés à leur âge, on pourrait inscrire dans le Code civil -dans le régime légal de séparation, par exemple- un texte légal plus simple que le calendrier ci-dessus: qu’un enfant ne peut pas être séparé d’un de ses parents pendant plus de jours qu’il n’a d’années d’âge (donc un enfant d’un an pas plus qu’une journée, un enfant de 2 ans pas plus que 2 jours, etc.).
2/ L’entente. Beaucoup de «spécialistes» (magistrats et autres juristes, experts et autres psychanalystes, même certains médiateurs familiaux, …) croient qu’un hébergement alterné égalitaire n’est possible que lorsque les parents sont d’accord à ce propos, voire s’entendent bien. C’est en effet une condition nécessaire pour que les enfants évoluent bien dans cet hébergement alterné égalitaire. C’est cependant aussi (voir la seconde phrase du point II. 5 ci-dessus) la condition principale pour que le système traditionnel de l’hébergement principal inégal ne nuise pas aux enfants. Les constatations et conclusions des recherches scientifiques empiriques citées cidessus montrent suffisamment clairement que même lorsque les parents ne sont pas d’accord sur leur choix du règlement de l’hébergement de leurs enfants, une préférence pour l’hébergement alterné égalitaire, même imposée par un juge ou par un régime légal de séparation, favorise mieux une bonne évolution des enfants. Une bonne entente entre les parents n’est donc pas nécessaire; une relation neutre de collègues éducateurs, un respect mutuel 63/ suffit.
3/ L’indisponibilité. Un parent qui (temporairement, par exemple à cause du choc de la séparation qu’il doit subir?) ne s’intéresse pas pour son enfant ou qui n’est pas disponible pour d’autres raisons, ne demandera pas l’hébergement alterné (sauf peut-être parce qu’il croit ne pas devoir payer de contribution alimentaire en cas d’hébergement égalitaire -ce qui est faux, comme c’est expliqué ci-dessous-). Un examen de ce désintérêt ou des indisponibilités par le magistrat est donc superflu. De plus, il inciterait des parents (souvent pour des raisons égoïstes) à essayer de prouver une telle propriété négative (supposée, voire faussement prétendue) de l’autre parent, avec toutes les conséquences néfastes pour l’entente des parents, et donc pour leurs enfants, ainsi que pour les magistrats et experts déjà débordés.
4/ L’indignité. Il en est de même pour une indignité ou un comportement violent (prétendu?). Sauf que si ces comportements mettent l’intérêt d’un enfant en danger; dans ce cas, le magistrat peut en avertir le juge de la jeunesse ou une autre organisation compétente en matière de protection ou d’aide à la jeunesse (ou d’abord prévoir une séance d’évaluation du système d’hébergement après 6 ou 12 mois afin de voir si ces accusations étaient réelles ou si ses craintes se sont réalisées ou non).
5/ Les déménagements. Un argument souvent entendu contre l’hébergement égalitaire, c’est que les enfants doivent trop souvent déménager. Combien de fois «déménagent»-ils dans le système traditionnel d’un week-end toutes les deux semaines? Quatre fois par mois. Et dans le système le plus fréquent de l’hébergement alterné égalitaire: une semaine chez maman et puis une semaine chez papa? Aussi 4 fois par mois! La seule différence, c’est que les enfants peuvent rester pour une semaine entière, au lieu de devoir déjà repartir au moment où ils se sont habitués au «déménagement» après environ 36 heures – ce qui est le temps normalement nécessaire pour un adulte pour s’adapter, par exemple, à son lieu de vacances-.
6/ La distance. La distance entre les résidences des deux parents est bien sûr une condition pratique nécessaire: les enfants doivent pouvoir aller –ou être emmenés- à la même école, au même club sportif ou autre activité de loisirs à partir des deux résidences. Ceci évite ipso facto le désavantage d’un hébergement «principal» tellement éloigné de la résidence «secondaire» qu’il nécessite de longues navettes et qu’il rend difficiles les contacts avec les camarades de classe ou de loisirs pendant les weekends chez le parent «secondaire». De plus, cela évite que les enfants doivent passer leurs week-ends et vacances chez un «parent-Walibi» qui ne leur assure pas un confort équivalent dans son domicile «secondaire».
7/ L’entretien «au nid». Le stress engendré par les «déménagements» que subissent les enfants peut être évité en les laissant toujours habiter dans le même «nid» de la résidence familiale, où les deux parents viennent les soigner à tour de rôle. C’est un mode d’hébergement de plus en plus connu en Belgique 64/. Il a aussi comme avantage qu’il n’est pas nécessaire de disposer de deux résidences assez grandes toutes les deux pour loger les enfants; dans le cas d’un assez grand nombre d’enfants, ceci revient moins cher, surtout lorsque les deux parents sont capables de loger en alternance dans un seul et même petit studio où ils ne doivent pas assurer un confort équivalent au domicile familial devenu le «nid». Ce modèle du «nid» coûte aussi moins cher aux parents qui peuvent aller loger chez un nouveau partenaire ou chez leurs propres parents. ….
• Est-il nécessaire de légiférer? …
• Comment légiférer dans l’intérêt des enfants? …
Le texte complet de la synthèse des résultats des multiples recherches scientifiques empiriques (américaines, européennes et belges) sur les questions de «L’intérêt de l’enfant en cas de séparation et de divorce» se trouve dans: de Man, Jan Piet H.: L’intérêt de l’enfant en cas de séparation et de divorce. Dans: Geneviève Boliau (éd.): Divorce. Commentaire pratique (suppléments 9 & 12 & 17 & 18), p. VIIIbis.5.1.1.-VIIIbis.5.7.10. Deurne-Antwerpen & Diegem (B): Kluwer Éditions Juridiques Belgique & éditions kluwer, décembre 1998 & 15 janvier 2000 & 31 décembre 2002 & Juin 2003. Un modèle d’applications pratiques des différentes conditions pour une maximalisation de des intérêts des enfants se trouve dans: de Man, Jan Piet H.: Proposition-type de convention ou de jugement comprenant un hébergement alterné et un exercice partagé de l’autorité parentale. Dans: Geneviève Boliau (éd.): Divorce. Commentaire pratique (suppléments 9 & 14 & 17), p. Mod. Act. - 45-58. Deurne-Antwerpen & Diegem (B): Kluwer Éditions Juridiques Belgique & éditions kluwer, août 1998 & septembre 2000 & 31 décembre 2002…. » http://www.lachambre.be/doc/FLWB/pdf/51/1673/51K1673014.pdf de Man, Jan Piet H., INSTITUT EUROPEEN POUR L'INTERET DE L'ENFANT , Ter Voort 58, 2650 Edegem, de.man @ scarlet.be, son article « Modalités de résidence et l’âge du plus jeune enfant » http://www.welzijnsnet.org/wp/wp-content/uploads/2011/11/WW5-bijlage-6.pdf http://www.bemiddelingvzw.be/docs/Jan-Piet%20De%20Man.pdf
 
 
 
4. Recommendations J.P. De Man 2013

23 October Strasbourg: “European Custody of children”  Reports  http://www.colibri-italia.it/2013/10/23-ottobre-strasburgo-reports-european.html

On the basis of the empirical scientific research findings J.P. de Man now knows about what best safeguards the children’s best interests,

he would recommend the following best practice principles for judgements or/and laws:  

1) USE OF FAMILY HOUSE

As long as the parents do not agree on what parent will stay living in the family home, their child(ren) should stay in their family home

(= "nestbirding" = "nest care"). 

and each parent should in turn go there to take care of their child(ren).

2)  PARENTING TIME SCHEDULE 

As long as the parents do not agree on a parenting time schedule, they should each in turn  take care of their child(ren) for 1 day.

However, as soon as all their children go to school, each parent should take care of them during the whole weekend (from the last school day of the week to the next school day), unless the parents and their child(ren) agree on an other parenting time schedule.

3) TRANSITION TIME/PLACE 

As long as the parents do not agree on another transition place/time, the child should be deposited at and got from its school or day care place. 

4)  FAMILY HOME ALLOCATION

If the parents agree not to practice "nest care", but do not agree on who will stay living in the family home, the parent who takes care more than the other one of their child(ren) may stay living in the family home, as long as both parents do not agree otherwise. 

When both parents take care of their child(ren) for the same amount of time, the parent with the lower income may stay in the family home, as long as both parents do not agree otherwise. 

Concrete parenting time schedules:  

general rules

Avoid (interpretation) conflicts  (in the presence of the children)!    => Precise formulations!     Stimulate elaborating agreements! 

preliminary general stipulations

"All schedules of this parenting plan are valid as long as both parents and their children do not agree on an other schedule.”

“As long as the parents and their child(ren) do not agree on the place of transition, the child(ren) will be brought and collected at its (their) nursery or nurse or school.”

best practice:  

Age and time perception of the child as a determinant for age-adapted parenting plan arrangements and court orders

5. Beleidsaanbevelingen studiedag Antwerpen 29/09/2015 gezinstransities

Gezinstransities vanuit het perspectief van de kinderen

http://www.ucsia.org/main.aspx?c=*UCSIA2&n=121484&ct=121484

Op 29 september had in het Elzenveld te Antwerpen de UCSIA- studiedag over ‘gezinstransities vanuit het perspectief van de kinderen’ plaats waaraan een 200-tal (jeugd-)psychologen en (gezins-)therapeuten, advocaten en bemiddelaars, hulpverleners en maatschappelijke assistenten, pedagogen en opvoedingsondersteuners, leerkrachten en zorgcoördinatoren, onderzoekers en beleidsmakers deelnamen.

 

Waar men 10 jaar geleden nog vaak huwde naar aanleiding van de geboorte van een kind, blijven ouders tegenwoordig samenwonen zonder huwelijkscontract (binnenkort zal dit het geval zijn voor de helft van de partnerrelaties). Eén op tien kinderen tussen 0 en 17 jaar hebben gescheiden ouders. Scheiding betekent de start van verschillende gezinstransities gezien de ouders vaak (meer dan eens) herpartneren. Dit brengt ingrijpende veranderingen in het dagelijkse leven van het kind met zich mee, vooral op financieel vlak en op vlak van wonen en schoolloopbaan. Kinderen van gescheiden ouders komen vaker in het watervalsysteem terecht en minder in het hoger onderwijs. Op vlak van psychisch welbevinden vertonen meisjes meer depressieve symptomen (internalisering) en jongens meer gedragsproblemen (emotionele veruitwendiging). Toch geven de meeste scheidingskinderen aan dat de situatie is verbeterd sinds de scheiding. Veel hangt af van de risicofactoren (conflict en transities) en van de beschermende factoren (betrokkenheid van ouders, inkomen en opleidingsniveau). Bovendien speelt de persoonlijkheid van het kind ook mee in de verwerking.

Het Belgisch recht (in tegenstelling tot andere Europese rechtsstelsels) vertrekt nog van het beginsel dat een kind twee ouders heeft die gezamenlijk het gezag uitoefenen en kent geen rechten toe aan stiefouders. Afspraken tussen gescheiden ouders rond opvoeding van kinderen worden niet systematisch gemonitord gezien er geen aanmeldingsplicht bestaat en het aangeven van wijzingen in domicilie vaak wordt nagelaten. In geval van verontrustende opvoedingssituaties en vechtscheidingen kunnen gezagsuitoefening en verblijfs- en onderhoudsregelingen bij de familierechtbank (die een jaar geleden werd ingericht) worden geregeld. Een euvel in de institutionele organisatie is dat de familierechtbank geen weet heeft van eventuele beslissingen van de jeugdrechter bij problematisch gedrag van het kind. De familierechter roept kinderen ouder dan 12 wel op voor verhoor, maar het PV dat hiervan wordt opgemaakt dient eerder het betoog van de ene partner tegenover de andere (ons rechtsbestel zijnde gebaseerd op het principe dat slechts één van beide partijen gelijk kan krijgen), dan de belangen van het kind zelf. In de hulpverlening bestaan initiatieven die gericht zijn op het horen van kinderen maar deze informatie stroomt ook niet door naar de familierechter wegens het beroepsgeheim. Zou een jeugdadvocaat die de belangen van het kind behartigt een uitkomst kunnen bieden?

Vanuit een pedagogisch ontwikkelingsperspectief worden kinderen tijdelijk uit balans gebracht door scheiding en gezinstransities. Het gedwongen loslaten brengt een rouwproces teweeg, wat de veerkracht van het kind onder druk zet. Nieuwe relaties compliceren het loyaliteitsconflict waarmee het kind worstelt. Om hieruit te geraken is het noodzakelijk dat het kind zichzelf terugvindt (door het te horen en te informeren), de relatie met beide ouders behoudt (gedeeld i.p.v. verdeeld ouderschap) en steun krijgt uit de bredere omgeving. Het is van essentieel belang dat de positie van het kind ruimte krijgt en dat het een stem heeft; ook binnen de hulpverlening en justitie (die elkaar zouden moeten versterken).

De meeste klachten van kinderen die de ombudsdienst van het Kinderrechtencommissariaat ontvangt hebben te maken met de scheidingsproblematiek. Daaruit blijkt ook dat zij geen kennis hebben van het bemiddelings- en hulpverleningsaanbod. Een ouderschapsplan, waarin opvoedingsafspraken door ouders zelf worden vastgelegd en kinderen worden betrokken, kan helpen om conflicten te voorkomen. De school en kinderopvang kunnen een signaalfunctie hebben in geval van problemen. Wat het juridische spreekrecht betreft is niet alleen de aanpak, maar ook de taal een drempel. De kinderrechtencommissaris bepleit de aanstelling van een scheidingsambtenaar  voor de coördinatie van bestaande initiatieven en het onderzoeken van nieuwe beleidspistes en een uitbreiding van de rol van justitiehuizen.

 

De conclusies en beleidsaanbevelingen die door alle betrokken organisaties mee werden voorbereid, werden vertaald in een afsluitend panelgesprek met Minister van Justitie, Koen Geens en raadgever justitie van het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Nancy Bleys

 

uittreksel uit beleidsaanbevelingen : 

"Wij formuleren de concrete pistes die door de aanwezige experten als prioritair naar voor werden gebracht :

• Inzetten op informatie en vorming om te sensibiliseren en te responsabiliseren.

.. Ook op andere websites waar mensen terecht komen zoals de website van Federale Overheid meer inzetten op het laagdrempelig en toegankelijk informeren van mensen aangaande de verschillende trajecten bij scheiding en de positie van het kind hierbij. De Huizen van het Kind kunnen een rol opnemen in het informeren en versterken van ouders, kinderen en jongeren en hun omgeving... 

Een brede campagne naar de bevolking kan een ondersteunend draagvlak bieden.

Accent dient te liggen op het KINDwaardig ouderschap na scheiding i.p.v. GELIJKwaardig ouderschap.

• Inzetten op de positie en de stem van het kind op diverse niveaus.

...

• Inzetten op een samenwerkingsakkoord tussen de verschillende actoren van hulpverlening en Justitie.

.."

 

 

6. Necessity of guideline for parents (2015)

In Belgium 2015, following situation can happen (seen on tv)

Separated parents meet for the first time again after separation before the family judge mediator 

The judge asks the parent what he wants concerning the children, he answers :   "I have not seen my children for three weeks since we separated and I moved in with my (girl)friend - I want the normal week/week , I want to take care myself of the children, not to pay for care to my ex"

The judge asks the other parent, he says :"I really think a week is too long for our young children"

Says the judge "You can propose any other time schedule, four days a week?"

The parent is thinking and incapable to find the right answer on the spot and in front of his new ex.  

(cfrThe Belgian Law (art 374 Civil Law code - art adapted by the law of 18/06/2006)  stipulates that if one of parents asks for the equally shared parental residence of the children,  the judge this priorally accords.)

 

What could be done  : 

 

1/   Parents should know in advance what transition residential model taking into account the right of every child to have contact with his parents, will apply when the separate untill a model of residence is agreed and judicially acted.

Transition start residential model :

- when both parents were active carers and if both of them want to continue share caring : the nest care model with daily visits for the very young and nest care day by day for the older ones, is a good start.

- when mostly one parent was the caring parent : dailyy visits by the less caring parent for the very young children ; two or three times a week visit by the non residential parent (1-2 years old), plus a full day for a 3 years old, plus overnight stay a week for a 4 years old,  plus extra overnight stay every two weeks for a 5 year old, 

 

2/  Parents should have guidelines and examples of residential models for the children when parents are separated - guidelines that take into account the age of the children their time perception, their best intrest.

Every model should take into account

- the right of every child to have contact with his both parents,

- the age of the (youngest) child and its capacity to endure a separation time from one parent,

- the best interest of the children,

- the desires and possibilities of the parents for the care of the children (physical and psychological ability, professional responsibilities)

 

3/   Every model of residence should be reconsidered or changed with the child growing older and/or the changing caring possibilities or desires of the parents.